Nog nooit

Nog nooit heb ik een gedicht geschreven. Nochtans, zeker,
de meest geniale gedachten betreden dagelijks mijn hoofd.

Maar steeds lijkt er wel iets in de weg te staan:
of acute slaap, ofwel een te verre balpen, of, 
nog het vaakst, een diep gevoel van vergeefsheid.

Zo ontstaan er duizenden gedichten niét.
Zo wachten ze op de volgende generatie.

Advertenties

September

September

Daar gaan we weer. De bel
als oplawaai na de verpozing.
Je zoekt je plaats op de stille stoel.
Je hart is leeg en trekt. Nazomer.

Zij loopt nu ergens rond en jij,
als een vest trek je je huid uit.
Je handen gevangen in hun plooi,
je zinnen allemaal tweeling.

Je vangt aan. Je hapert.
Je denkt: “Och jongens toch,
wat voor lot is ons beschoren”.
Op het bord schrijf je september.

Manoel

Afbeeldingsresultaat voor manoel

Manoel

Wat voor beest ben jij nu weer,
jij met je wilde kaken die zo om zich heen kijken,
lijkt het, en die haren zo onbetamelijk ongekamd?

Wat wil je, jij lepe rover,
wat wil je van mijn armoe?
Ik kan je niets geven dat jij nog niet bezit,
terwijl jij zo openlijk verdoolt, zit ik hier, wat
te doen anders dan te staren naar je smoel?

Wat moet je, verdomme? Een grauwe ziel
als die van mij verdient niet zo’n gedoe,
alsjeblieft, stop mijn ellende, stop me
je vuil gebekte vrijheid toch maar toe,
laat me, manoel, laat me nu toch toe.

Bijzondere ontmoetingen (1): Milton

Kinderboeken te lezen, meer niet,
Slechts te denken in kindergedachten,
Het volwassen gedoe te verachten,
Op te staan uit een peilloos verdriet.

(Osip Mandelstam)

Zijn naam was Milton, hij was nog maar een paar maand in België en kwam oorspronkelijk uit Suriname. Deze informatie leerde ik tijdens de geleide tocht tijdens dewelke Milton mij, mijn geliefde en zo’n twintig andere onbekenden op sleeptouw nam. Samen waadden we op een grijze namiddag een aantal kilometer door de drogere delen van de Rubicon – niet de Italiaanse rivier, maar wel haar Ardense tegenhanger. Op deze tocht leerde ik niet alleen een uitstekende gids kennen, maar vooral ook een bezield verteller, een mysterieuze entertainer én een wijze leermeester. En oh ja, hij zag eruit als een piraat. Lees hieronder het verslag van een bijzondere ontmoeting.

“Kijk, zie je die daar?”

Zijn lange vingers imiteerden de vlucht van de prehistorische vogels die hij zo duidelijk afgetekend in de rotsen zag. Uiteraard zag ik niets anders dan een hoop stenen, maar geen haar op mijn hoofd dat er aan durfde denken dat hij ons iets aan het voorliegen was. Milton zag échte vogels, versteend door de tijd, zoveel was duidelijk. Vanaf dat moment was hij voor ons allen de hogepriester der stenen beesten. De groep zou hun leider overal gevolgd hebben. Gelukkig voor ons koos hij ervoor in de Ardense grot te blijven.

“Dít, dames en heren, is een stalactiet! Jullie kennen het geheugensteuntje wel hé? Neen? Een tiet hangt toch altijd naar beneden? Dus de stalac-tiet ook! En dus moet de stalagmiet wel naar boven groeien, anders kunnen we ze niet uit elkaar houden. Maar dat was niet wat ik jullie vandaag wou leren.”

Net als vele anderen in de groep kende ik dat ezelsbruggetje inderdaad al sinds mijn vroege kindertijd, maar dat deerde ons geen beetje. Zolang hij maar verderging.

“Ik wou jullie er vooral op wijzen dat er hier iets heel bijzonders aan de hand is met deze stalactieten en stalagmieten!”, bouwde hij de spanning verder op.

“ Zien jullie het al? Neen? Wel, dames en heren, deze lange steen hier, dat noemen wij grotbewoners een “zuil”, en een zuil, dat is niets minder dan een duizend jaar oude samensmelting van een meneer stalagmiet en een mevrouw stalactiet!

Waaauuw”, zongen we in koor, enkele volwassenen zo mogelijk harder nog dan de aanwezige kinderen.

“Ja, klapt u gerust hoor, maar niet té hard, want dit is iets heel bijzonders. Eeuwen aan een stuk rekten de twee zich namelijk almaar verder richting elkaar, zich uitslovend met maar één doel voor ogen: op een dag de ander te kunnen bereiken. En op een zonnige dag, lang geleden was het eindelijk zover. De langverwachte vereniging. Sinds die dag staan ze hier te zoenen als hartstochtelijke minnaars. En ik mag jullie die versmelting tonen! Wat een job toch hé!”

De hypnose was compleet. Waren er enkelingen aanvankelijk misschien nog een beetje op hun hoede geweest voor deze enigmatische figuur, traag maar zeker werden we allemaal betoverd door zijn kinderlijke enthousiasme en het rare contrast met zijn slepende, wat ruwe stem met haar Caraïbische cadans. Allen hadden we een glimlach op ons gezicht gespeld gekregen die groter werd met elke nieuwe wending in een van zijn talrijke verhalen. Voor het uurtje dat we ons in deze grotten waagden, wilden we alleen maar volledig verdwijnen in die verhalen. En dat lukte, want voor elke nieuwe “kamer” die we betraden, diepte hij weer andere personages op.

Dit is de kabouter, die houdt de wacht. En hier, hier is de kamer die wij “de kathedraal” noemen. Goed geraden, inderdaad omdat hij zo gigantisch is. Als je heel goed kijkt zie je daar in de hoogte de figuren die wij de “kerststal” noemen. Zie je ze? Maria, Jozef, de baby? Yep, zelfs de os en de ezel zijn van de partij.”

Zijn fantasie leek grenzeloos. Nog nooit had ik kinderen zo gefascineerd naar Jezus zien staren. Na vervolgens nog wat zwanen, dinosaurussen en elfjes gespot te hebben, kwamen we aan bij dieper water. Hij maakte nog een grapje over het feit dat hij hoopte dat we allemaal goed konden zwemmen, en dan ondernamen we de tweede helft van de tocht per boot. Terwijl Milton een geanimeerd gesprek voerde met Duitse bezoekers over het belang van Surinamers in de Nederlandse voetbalgeschiedenis, kreeg de rest van ons wat tijd om zich verder te laten betoveren door de magie van de rotswanden en de bijzondere tekeningen die we traagjes passeerden. Ik begon te denken.

Waarom had een figuur als Milton er voor gekozen om zich op te houden in deze donkere burcht onder de grond? Kwam hij hierheen om zijn verleden te vergeten? Zijn door rook vergrauwde stem en mysterieuze aura deden inderdaad een zwaar verleden vermoeden. Zijn lange dreadlocks en de zilveren ringen erin maakten in de jongere bezoekers (waartoe ik ook mezelf reken) dromen wakker van een Jack Sparrow-achtige figuur die elke dag opnieuw op meesterlijke wijze de woeste Atlantische golven bedwong. En zijn stoere uiterlijk en het grote gemak waarmee hij respect afdwong kon hem makkelijk een glorieuze carrière in de Surinaamse maffia opgeleverd hebben. Wat deed hij dan hier?

Tijdens het schrijven van deze tekst kwam ik er al snel op uit dat dit alles er helemaal niet toe deed. Of hij hier nu gewoon een knap Waals lief had opgedaan, of hij was op de vlucht na een tragisch afgelopen Surinaamse bankoverval, het maakte mij niks uit. Hier in de diepe Ardense grotten was Milton op zijn plaats. Tussen de stenen wezens en de vlezen mensen.

Oké, veel van de zaken die Milton ons toevertrouwde zal wel in zijn gidscursus gezeten hebben, en oké, hij voerde wellicht een soort showtje op, maar wie ook niet? Deze man kwam uit de andere kant van de wereld, was nog maar een paar maand in de kille Ardennen beland en kon ons er met behulp van al zijn enthousiasme van overtuigen dat dit altijd al zijn thuis was.

Het feit dat ik dit hier allemaal neerpen, maanden na onze ontmoeting, bewijst dat hij mij alvast onvergetelijke herinneringen schonk met zijn “showtje”. Waarom? Omdat ik waarlijk geloofde in zijn verhalen over groene goblins die hier ooit hun nest hielden? Maar néén, zo jong ben ik nu ook niet meer. Wél geloofde ik in hém. Ik geloofde dat hij hield van zijn job, hoe routineus die ook mocht zijn. Hij was hier graag. Hij maakte graag vreemde, morbide grapjes en tegelijk versierde hij de grotwanden met zijn grootste dromen. Wie hij vroeger ook was, vandaag was hij Milton, de magiër uit de grotten van Remouchamps.

Het deed me denken aan hoezeer ik er van geniet om zelf verhalen te vertellen aan mijn leerlingen, en hoe veel vreugde het me brengt als ik ze kan overtuigen van de waarde van hun eigen dromen. Dan vertel ik ze voortaan: ‘mij bracht nog geen enkele nacht me even zoete dromen als die druilerige namiddag in de diepe Ardennen.’

“Ja, jongens en meisjes, we zijn er! Ik stap hier uit want binnen 50 meter is er een grote waterval, veel succes!”

Ik moest luidop lachen en hoopte stiekem dat hij voor één keer de waarheid sprak.

Vaarwel, Milton!

 

Gebed voor een verloren zomerdag

Op een dag, nu een tijd geleden al, bezocht ik drie steden tegelijk
was het lot, toeval of haperend verstandelijk vermogen –
of alle drie tegelijk?

Ik baande mijn weg door evenveel wegen als weggebruikers,
verloor meer dan één pad, vond de zon en voor heel even –
ook de zin van mijn eigen klein bestaan.

Want –
Nog nooit voelde ik me zo vrij als toen,
toen ik me voorgoed verloren waande.

(Het ging aldus)
Op pad en in mijn verwarring zag ik een spiegel
in plaats van het raam van de trein waarop ik wachtte,
daarin zag ik een man die me omhelzen wou
in plaats van een man die gewoon zijn zakken pakte –
ik liet het hem toe, verdoolde en verloor mezelf.

Want –
Nog nooit voelde ik me zo vrij als toen,
toen ik me voorgoed verloren waande.

(En nog)
Ook was het de dag dat ik halverwege mijn tocht
het dwalen staakte om – gezeten en gegeten –
te genieten van het tafereel waarin een zoon
zijn goddelijke geschenk liet vallen, waarna
zijn vader afwachtte of hij flink blijven kon
en dan pas hem troostte met zijn eigen bol ijs –
waarop ik moest lachen en wenen tegelijk.

Want –
Nog nooit voelde ik me zo vrij als toen,
toen ik me voorgoed verloren waande.

(En ten slotte)
Eens thuisgekomen in de derde en laatste stad
werd het de avond waarop ik alles leerde:
als de verloren zoon zonder ijsje die ik was
als de man die zijn ziel en al zijn zakken verloor
als een dolgelukkig kind aan een zalige tafel gezeten
bij mensen die zichzelf in elkaar gevonden hadden –
zó leerde ik dat de liefde even groot is in het vinden
als in het verliezen van jezelf.

Want – (allemaal samen!)
Nog nooit voelden wij ons zo vrij als toen,
toen wij ons voorgoed verloren waanden.

Lost.jpg

 

Droomhond

alaska

Nog vóór mijn geboorte
droomde ik al
van een hond als compagnon.

Het werd dan wel geen hond
(het wordt nooit wat je hoopt),
maar het werd wel vanalles –
dat is alles
maar dan in hele kleine beetjes.

Als ik eerlijk ben wist ik
op voorhand al op wat voor
hond ik sinds het hiervóórmaals
hoopte: dat was een
alaska-malamute.

Want laat ons eerlijk zijn,
een hond met zo’n naam
is een droom voor elke dichter.

Nooit namelijk
kan het arme beest voldoen
aan al de beloftes die zijn naam
oproept:

AL-AS-KA-MA-LA-MU-TE!
(Ja, roep maar!)

Dát is wat wij willen.
De dichters, de dromers.
Dat is het énige dat wij willen.*

Een zo onbereikbaar mogelijke schoonheid
toch bereiken.

 

*(en ook wat applaus soms, of wat liefde af en toe, maar dat spreekt vanzelf)