Bijzondere ontmoetingen (1): Milton

Kinderboeken te lezen, meer niet,
Slechts te denken in kindergedachten,
Het volwassen gedoe te verachten,
Op te staan uit een peilloos verdriet.

(Osip Mandelstam)

Zijn naam was Milton, hij was nog maar een paar maand in België en kwam oorspronkelijk uit Suriname. Deze informatie leerde ik tijdens de geleide tocht tijdens dewelke Milton mij, mijn geliefde en zo’n twintig andere onbekenden op sleeptouw nam. Samen waadden we op een grijze namiddag een aantal kilometer door de drogere delen van de Rubicon – niet de Italiaanse rivier, maar wel haar Ardense tegenhanger. Op deze tocht leerde ik niet alleen een uitstekende gids kennen, maar vooral ook een bezield verteller, een mysterieuze entertainer én een wijze leermeester. En oh ja, hij zag eruit als een piraat. Lees hieronder het verslag van een bijzondere ontmoeting.

“Kijk, zie je die daar?”

Zijn lange vingers imiteerden de vlucht van de prehistorische vogels die hij zo duidelijk afgetekend in de rotsen zag. Uiteraard zag ik niets anders dan een hoop stenen, maar geen haar op mijn hoofd dat er aan durfde denken dat hij ons iets aan het voorliegen was. Milton zag échte vogels, versteend door de tijd, zoveel was duidelijk. Vanaf dat moment was hij voor ons allen de hogepriester der stenen beesten. De groep zou hun leider overal gevolgd hebben. Gelukkig voor ons koos hij ervoor in de Ardense grot te blijven.

“Dít, dames en heren, is een stalactiet! Jullie kennen het geheugensteuntje wel hé? Neen? Een tiet hangt toch altijd naar beneden? Dus de stalac-tiet ook! En dus moet de stalagmiet wel naar boven groeien, anders kunnen we ze niet uit elkaar houden. Maar dat was niet wat ik jullie vandaag wou leren.”

Net als vele anderen in de groep kende ik dat ezelsbruggetje inderdaad al sinds mijn vroege kindertijd, maar dat deerde ons geen beetje. Zolang hij maar verderging.

“Ik wou jullie er vooral op wijzen dat er hier iets heel bijzonders aan de hand is met deze stalactieten en stalagmieten!”, bouwde hij de spanning verder op.

“ Zien jullie het al? Neen? Wel, dames en heren, deze lange steen hier, dat noemen wij grotbewoners een “zuil”, en een zuil, dat is niets minder dan een duizend jaar oude samensmelting van een meneer stalagmiet en een mevrouw stalactiet!

Waaauuw”, zongen we in koor, enkele volwassenen zo mogelijk harder nog dan de aanwezige kinderen.

“Ja, klapt u gerust hoor, maar niet té hard, want dit is iets heel bijzonders. Eeuwen aan een stuk rekten de twee zich namelijk almaar verder richting elkaar, zich uitslovend met maar één doel voor ogen: op een dag de ander te kunnen bereiken. En op een zonnige dag, lang geleden was het eindelijk zover. De langverwachte vereniging. Sinds die dag staan ze hier te zoenen als hartstochtelijke minnaars. En ik mag jullie die versmelting tonen! Wat een job toch hé!”

De hypnose was compleet. Waren er enkelingen aanvankelijk misschien nog een beetje op hun hoede geweest voor deze enigmatische figuur, traag maar zeker werden we allemaal betoverd door zijn kinderlijke enthousiasme en het rare contrast met zijn slepende, wat ruwe stem met haar Caraïbische cadans. Allen hadden we een glimlach op ons gezicht gespeld gekregen die groter werd met elke nieuwe wending in een van zijn talrijke verhalen. Voor het uurtje dat we ons in deze grotten waagden, wilden we alleen maar volledig verdwijnen in die verhalen. En dat lukte, want voor elke nieuwe “kamer” die we betraden, diepte hij weer andere personages op.

Dit is de kabouter, die houdt de wacht. En hier, hier is de kamer die wij “de kathedraal” noemen. Goed geraden, inderdaad omdat hij zo gigantisch is. Als je heel goed kijkt zie je daar in de hoogte de figuren die wij de “kerststal” noemen. Zie je ze? Maria, Jozef, de baby? Yep, zelfs de os en de ezel zijn van de partij.”

Zijn fantasie leek grenzeloos. Nog nooit had ik kinderen zo gefascineerd naar Jezus zien staren. Na vervolgens nog wat zwanen, dinosaurussen en elfjes gespot te hebben, kwamen we aan bij dieper water. Hij maakte nog een grapje over het feit dat hij hoopte dat we allemaal goed konden zwemmen, en dan ondernamen we de tweede helft van de tocht per boot. Terwijl Milton een geanimeerd gesprek voerde met Duitse bezoekers over het belang van Surinamers in de Nederlandse voetbalgeschiedenis, kreeg de rest van ons wat tijd om zich verder te laten betoveren door de magie van de rotswanden en de bijzondere tekeningen die we traagjes passeerden. Ik begon te denken.

Waarom had een figuur als Milton er voor gekozen om zich op te houden in deze donkere burcht onder de grond? Kwam hij hierheen om zijn verleden te vergeten? Zijn door rook vergrauwde stem en mysterieuze aura deden inderdaad een zwaar verleden vermoeden. Zijn lange dreadlocks en de zilveren ringen erin maakten in de jongere bezoekers (waartoe ik ook mezelf reken) dromen wakker van een Jack Sparrow-achtige figuur die elke dag opnieuw op meesterlijke wijze de woeste Atlantische golven bedwong. En zijn stoere uiterlijk en het grote gemak waarmee hij respect afdwong kon hem makkelijk een glorieuze carrière in de Surinaamse maffia opgeleverd hebben. Wat deed hij dan hier?

Tijdens het schrijven van deze tekst kwam ik er al snel op uit dat dit alles er helemaal niet toe deed. Of hij hier nu gewoon een knap Waals lief had opgedaan, of hij was op de vlucht na een tragisch afgelopen Surinaamse bankoverval, het maakte mij niks uit. Hier in de diepe Ardense grotten was Milton op zijn plaats. Tussen de stenen wezens en de vlezen mensen.

Oké, veel van de zaken die Milton ons toevertrouwde zal wel in zijn gidscursus gezeten hebben, en oké, hij voerde wellicht een soort showtje op, maar wie ook niet? Deze man kwam uit de andere kant van de wereld, was nog maar een paar maand in de kille Ardennen beland en kon ons er met behulp van al zijn enthousiasme van overtuigen dat dit altijd al zijn thuis was.

Het feit dat ik dit hier allemaal neerpen, maanden na onze ontmoeting, bewijst dat hij mij alvast onvergetelijke herinneringen schonk met zijn “showtje”. Waarom? Omdat ik waarlijk geloofde in zijn verhalen over groene goblins die hier ooit hun nest hielden? Maar néén, zo jong ben ik nu ook niet meer. Wél geloofde ik in hém. Ik geloofde dat hij hield van zijn job, hoe routineus die ook mocht zijn. Hij was hier graag. Hij maakte graag vreemde, morbide grapjes en tegelijk versierde hij de grotwanden met zijn grootste dromen. Wie hij vroeger ook was, vandaag was hij Milton, de magiër uit de grotten van Remouchamps.

Het deed me denken aan hoezeer ik er van geniet om zelf verhalen te vertellen aan mijn leerlingen, en hoe veel vreugde het me brengt als ik ze kan overtuigen van de waarde van hun eigen dromen. Dan vertel ik ze voortaan: ‘mij bracht nog geen enkele nacht me even zoete dromen als die druilerige namiddag in de diepe Ardennen.’

“Ja, jongens en meisjes, we zijn er! Ik stap hier uit want binnen 50 meter is er een grote waterval, veel succes!”

Ik moest luidop lachen en hoopte stiekem dat hij voor één keer de waarheid sprak.

Vaarwel, Milton!

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s